De knoop van Arnhem en Nijmegen

PublicatieIntermediair, 19 januari 1996
TrefwoordenStad

De grote steden stuiten op hun grenzen omdat de bestaande bestuurlijke structuur hun slagkracht frustreert. Zeven Nederlandse regio’s moeten kiezen tussen gemeentelijke herindeling of een stadsprovincie.

De grote steden stuiten op hun grenzen omdat de bestaande bestuurlijke structuur hun slagkracht frustreert. Zeven Nederlandse regio’s moeten kiezen tussen gemeentelijke herindeling of een stadsprovincie. Wat gebeurt er in het knooppunt Arnhem – Nijmegen?

Het dorp Slijk-Ewijk ligt aan een straat die uit de weilanden opklimt naar de Waalbandijk. De enige moderniteit is Dorpshuis Beatrix, gebouwd in jaren zeventigstijl. Iets verderop ligt een grote ouderwetse smidse en tegen de dijk staat een idyllisch grauwwit kerkje. Op de Waal varen de aken en duwbakken voorbij, naar Rotterdam, naar het Roergebied en verder. Aan de overkant ligt Nijmegen te pronken met zijn vernieuwde Waalkade waaraan het protserige Holland Casino om aandacht schreeuwt. De stad lijkt ver weg, maar ze rukt onstuitbaar op. Nijmegen maakt zich op voor de Waalsprong. In tien, twintig jaar tijd zal de gemeente Valburg – waartoe Slijk-Ewijk behoort – onherkenbaar veranderd zijn, of ze nu wil of niet. Arnhem en Nijmegen hebben hun grenzen bereikt en kunnen niet veel kanten op. Eigenlijk biedt alleen het gebied tussen de Rijn en de Waal nog ontwikkelingskansen. Het Knooppunt Arnhem-Nijmegen (KAN) heeft zijn begerig oog op de gemeente Valburg laten vallen, daar moet een enorm Multimodaal Transport Centrum (MTC) komen van 2,6 miljard gulden. Waar nu nog boerderijen liggen, worden over tien jaar containers uitgewisseld tussen de binnenvaartschepen van de Waal, de treinen van de Betuweroute en de vrachtwagens van de A15. Het moet een soort Rotterdamse Kijfhoek in de provincie worden, want het KAN heeft grootse plannen.
Arnhem en Nijmegen hadden nooit zo in de gaten dat ze een dynamiek hebben waar maar weinig regio’s aan kunnen tippen, dat hebben ze zich pas in 1993 laten vertellen door het Duitse blad Wirtschaftswoche. Samen met het economisch onderzoeksbureau Empirica uit Bonn kwam dat blad tot de conclusie dat Gelderland toplocatie nummer 1 in West-Europa was, met Arnhem-Nijmegen als centrum. Van daaruit kunnen binnen drie uur 64 miljoen mensen worden bereikt. De regio schrok op uit de slaap: het gaat over ons, dan moeten we wel proberen om dat waar te maken.
De laatste jaren zoeken Arnhem en Nijmegen voorzichtig toenadering. Ze moeten wel, want alleen samen hebben ze voldoende gewicht in de Europese schaal te leggen. Van oudsher zijn ze als tweelingbroers die vechten om het eerstgeboorterecht. Nijmegen heeft meer hoogopgeleiden en meer industrie. Arnhem wint het wat betreft zakelijke dienstverlening, ambtenarij en winkelklimaat. In Nijmegen zouden ze nog steeds met studentenbrilletjes op lopen en in Arnhem zouden ze te veel de borst vooruit steken. De Nijmeegse visie was altijd dat Arnhem traag is in het werven van bedrijven en meelift op de Nijmeegse inspanningen, zonder daarvoor overigens enige dankbaarheid te tonen. In ondernemerskringen zou Nijmegen te boek staan als vernieuwend, ‘handen uit de mouwen’, terwijl Arnhem een regentesk en ambtelijk imago heeft. Ook de culturen verschillen: Nijmegen is de noordelijkste stad van het zuiden, Arnhem de zuidelijkste stad van het noorden. Maar er is ook veel gemeenschappelijks: beide steden kampen al jaren met een zeer hoge werkloosheid, ze moeten voor 2005 grote aantallen huizen bouwen en ze hebben een tekort aan bedrijfsterreinen en kantoorlocaties.

Groen hartje
Het nieuwe elan van Arnhem en Nijmegen kreeg een extra impuls door de bestuurlijke hervormingen. Om de stedelijke regio’s voldoende armslag te geven, voldeed de bestaande trits gemeente – provincie – rijk niet meer. Gemeenten zijn onvoldoende in staat om bovenlokale problemen aan te pakken en de provincies zijn te log en bureaucratisch. Dus moest er voor de zeven belangrijkste regio’s van Nederland een nieuwe bestuursvorm komen. Begin 1995 trad de Kaderwet in werking en heeft het KAN een bestuurlijke vorm gekregen, voluit genaamd: Regionaal Openbaar Lichaam (conform Kaderwet) ‘Stedelijk Knooppunt Arnhem-Nijmegen’. De Kaderwet is een experimentele wet die tot 1999 van kracht is. Daarna moeten de bestuurlijke hervormingen hun definitieve vorm krijgen. Wèlke vorm dat moet zijn, dat is niet in de wet vastgelegd.
Het model van de stadsprovincie leek aanvankelijk de hoogste ogen te gooien. Deze provincie-nieuwe-stijl is beslist geen nieuwe bestuurslaag, verdedigen de vernieuwers zich tegen opponenten, maar het maakt wel slagkrachtiger bestuur mogelijk. Stadsprovincies krijgen meer bevoegdheden op het gebied van infrastructuur, woningbouw en regionale economie dan de traditionele provincies. De negatieve referenda-uitslagen in Amsterdam en Rotterdam deden het bestuurlijk concept van de stadsprovincie echter geen goed. In een kabinetsnotitie die in oktober 1995 uitlekte, leek de gemeentelijke herindeling weer favoriet. Kort daarop liet de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid ook nog eens weten niets in stadsprovincies te zien. Maar eind november gaf de Tweede Kamer te kennen dat haar voorkeur bij zeven stadsprovincies blijft liggen. Amsterdam en Rotterdam moeten sowieso stadsprovincies worden en als het enigszins haalbaar is ook Arnhem-Nijmegen, Eindhoven-Helmond, Haaglanden, Hengelo-Enschede en Utrecht. Pas als dat voor die laatste vijf ècht niet lukt, mag de gemeentelijke herindeling weer in zicht komen. In het najaar moeten de regio’s het kabinet laten weten waar hun voorkeur ligt en eind 1996 hakt de Tweede Kamer definitief de knoop door. Intussen is de bestuurlijke verwarring groot en in het Knooppunt Arnhem-Nijmegen begint de aanvankelijke eensgezindheid van Arnhem, Nijmegen en de provincie Gelderland scheuren te vertonen.

Het KAN heeft zijn onderkomen in de Brabantse Poort, een nieuw kantorenpark aan de zuidkant van Nijmegen, want voorzitter Geert Jansen mag dan een doorgewinterde bestuurder zijn, een te bestuurlijke uitstraling wil hij vermijden. ‘Ik zoek een moderner type van besturen dat zich beweegt in eenzelfde tempo en op eenzelfde schaal als de maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Met een provinciaal bestuur is dat vaak niet het geval, in elk geval niet in Gelderland met zijn onderscheiden regio’s.’ Jansen was nieuwsgierig naar de bestuurlijke mogelijkheden van de Kaderwet, die hij in de zes jaar als directeur-generaal openbaar bestuur bij het ministerie van Binnenlandse Zaken had voorbereid, en afgelopen mei verruilde hij die functie voor de onzekerheid van vier jaar KAN-voorzitterschap. ‘Ik wil besturen loswoelen, laten zien dat het anders kan, projectmatiger en niet zo verambtelijkt.’
Bij het KAN zijn momenteel 25 gemeenten aangesloten en in het bestuur zitten vertegenwoordigers van grote en kleine gemeenten. Het bijbehorende projectbureau heeft inmiddels een verkeer- en vervoersplan gemaakt, een landschapsontwikkelingsplan – compleet met een Groen Hartje tussen Arnhem en Nijmegen – en een plan voor volkshuisvestingsbeleid.
Het stedelijk knooppunt is volgens Jansen een logische eenheid. ‘Vanuit de Randstad loopt er een economische corridor naar Duitsland en het KAN vormt daarvan het hart. Je ziet het ook aan de fusie van de twee Kamers van Koophandel, de fusie van de twee Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening, de beoogde samenwerking van de VVV’s. Je ziet het aan de ondernemers, hoe zij zich bundelen in dit gebied. Al voordat het KAN was ingesteld, hadden zij eens in de twee maanden een Ondernemerssociëteit KAN. Als je de samenwerking in het knooppunt loslaat, dan gaan de steden elkaar beconcurreren. En dan verlies je uit het oog op welke schaal bedrijven naar vestigingsfactoren zoals goed wonen, geschikte arbeidskrachten en goede aan- en afvoer kijken.’

Broederstrijd
Afgelopen oktober legde de Arnhemse gemeenteraad een tijdbom onder het KAN. Een raadsmeerderheid haakte namelijk onmiddellijk in op de kabinetsnotitie waarin de stadsprovincie het leek af te leggen tegen gemeentelijke herindeling en pleitte voor annexatie van omliggende gemeenten. Het zal niemand verbazen dat rijke dorpen als Oosterbeek en Velp niet opgeslokt willen worden. Als Arnhem zijn vertrouwen in het KAN als bestuurlijke structuur opzegt, heeft dat natuurlijk gevolgen voor de te varen koers en kan de broederstrijd weer opvlammen.
‘De economische samenwerking in de regio loopt geen direct gevaar, daarvoor is het proces al te ver gevorderd’, zegt Martijn van Nie, hoofd economische zaken van Arnhem. ‘De Regio Arnhem heeft een lange traditie van samenwerking. Met Rheden en Duiven hebben we al overeenstemming bereikt om 150 hectare bedrijfsterrein te ontwikkelen langs de A12.’ Van Nie beklemtoont dat stringente afspraken nodig zijn om te voorkomen dat de buurgemeenten op eigen houtje steeds meer nieuwe bedrijfsterreinen aanleggen. Omdat zij maagdelijke weilanden tot hun beschikking hebben, kunnen ze makkelijk geld verdienen aan de gronduitgifte. Voor Arnhem en Nijmegen ligt dat anders: hun ruimte is beperkt, ontsluiting met wegen is duur en vaak is de grond ernstig vervuild. Als er in de buurt te veel bedrijfsterreinen komen, is sanering van die vervuilde terreinen niet haalbaar.
Van Nie weet dat de gesloten overeenkomsten broos zijn. De steden hebben nog geen macht om buren te beletten alsnog bedrijfsterreinen te ontwikkelen. Hij is al blij als de bereikte compromissen intact blijven. ‘We moeten elkaars hand goed vasthouden’, zegt hij. En dat kan wat hem betreft in KAN-verband, maar ook met een forse herindeling. Zo lang de bedrijvigheid maar niet over de hele provincie wordt uitgesmeerd.
In het KAN spelen de wensen van Arnhem een belangrijke rol, het is een van de twee stedelijke pijlers, maar samen vormen de twee steden nog niet de helft van het totale inwonertal van het KAN-gebied. En Jansen zegt: ‘Arnhem heeft afspraken met Elst en Heteren dat die gemeenten op vrijwillige basis een substantieel stuk van hun grondgebied afgeven. Daarmee kan Arnhem de Rijnsprong maken en nieuwe woningen bouwen. Het zou wel erg zuur zijn als het vervolgens zou zeggen: we hebben de grond, nu hoeft het van ons niet meer met dat KAN, nu gaan we met andere gemeenten in zee.’

Nieuwe haven
In het nieuwe gemeentehuis aan het Europaplein in Andelst kijkt Pieter Perry, hoofd sector Ruimtelijke Zaken uit over de weilanden. Op tafel spreidt hij de nieuwste kaarten uit. Elke keer krijgt hij weer andere toegestuurd. ‘Wij reageren op heel veel plannen van anderen’, zegt Perry gemelijk. Valburg, de plattelandsgemeente waar Andelst onder valt, omvat zeven dorpen met in totaal dertienduizend inwoners. De inwoners leven van land- en tuinbouw en van kleinschalige bedrijvigheid. De grootste dorpskern is Zetten, met een stationnetje en een middelbare school.
‘Het begon allemaal met de Betuwelijn’, vertelt Perry. ‘We bundelden met een aantal betrokken gemeenten onze krachten tegen allerlei regionale ontwikkelingen en we dachten: als we maar lang genoeg volhouden, dan kunnen we al die bedreigingen wel tegenhouden. Maar het was vechten tegen de bierkaai. Sinds anderhalf, twee jaar volgen we een andere politiek: we werken mee, dan hebben we tenminste nog iets te vertellen.’ Het viel niet mee de gemeenteraad – een complex geheel van kleine, merendeels lokale fracties– zover te krijgen.
Naast de Betuwelijn hangen de Nijmeegse uitbreidingsproblemen de dorpen aan de noordzijde van de Waal al tijden boven het hoofd. De Waalsprong kwam onvermijdelijk dichterbij. Het OBO probeerde nog de dreigende verstedelijking van de Waalsprong te keren met het voorstel zelf die huizen te gaan bouwen, gewoon overal wat plukjes nieuwbouw erbij. Maar dat was natuurlijk niet wat Nijmegen onder stadsuitbreiding verstond. Perry zegt: ‘Je zit met een grote broer te spelen en je moet uitkijken dat je je hand niet overspeelt, want dan wordt de gemeentegrens op een dag bij wet gecorrigeerd, daar kun je niets tegen doen. Als dat gebeurt word je er zelf helemaal niets wijzer van.’
Van de eerste concrete Waalsprongplannen waren ze in Oosterhout erg geschrokken: het nieuwe Oosterhout zou tegen het oude worden aangebouwd. Toen de Nijmeegse projectleider in het dorpshuis de plannen kwam toelichten, zongen de dorpelingen een protestlied, ze waren allemaal tegen: als de grote broer maar van ons afblijft. De actiegroep De Groene Long blies hoog van de toren: ‘Wij willen geen Nijmegen worden, wij willen een buffer.’ Die komt er nu, een groenstrook van honderd tot honderdvijftig meter breed. ‘Oosterhout denkt dat het de slag heeft gewonnen’, zegt Perry, ‘maar realiseert zich niet dat op den duur de winkels en voorzieningen die er nu zitten – ondanks allerlei afspraken – weleens naar de andere kant van de groenstrook zouden kunnen verhuizen, naar Nieuw-Oosterhout.’ Sinds kort is de Nijmeegse sprong over de Waal definitief: vierhonderd hectare grond van het dorp Oosterhout – inclusief negentig gezinnen – zijn aan Nijmegen verkocht.
Opvallend genoeg verhit de Waalsprong de gemoederen meer dan de plannen voor het Multimodaal Transport Centrum (MTC), dat het Valburgs grondgebied veel ingrijpender zal aantasten. Spoorwegen, autowegen en waterwegen moeten een hecht netwerk voor het vervoer gaan vormen. In Slijk–Ewijk is een haven gepland van veertig hectare, bij het dorp Valburg komt een groot Container Uitleverings Punt voor de Betuwelijn en een bedrijfsterrein dat uitgaat van 5.500 vrachtwagenritten per dag. De gevolgen van zo’n MTC zijn zo groot dat waarschijnlijk niemand zich er echt een beeld van kan vormen. ‘Wij zouden liever een rustig landelijk karakter behouden’ zegt Perry terwijl hij op de kaart aanwijst waar wat komt. ‘Maar straks dendert die Betuwelijn hier non-stop doorheen, het MTC zal dag en nacht in het licht staan, en er liggen plannen om de A73 door te trekken. Dat betekent nog een versnijding van ons gebied, en we worden al doorsneden door twee snelwegen en een spoorlijn.’
De weiden liggen er nu nog uitgestrekt groen bij, hier en daar een boerderij, bossages, sloten. Maar toch heeft de verstedelijking al toegeslagen. De boeren weten dondersgoed wat hun boven het hoofd hangt, ze houden de grondprijzen scherp in de gaten. ‘De grondprijs is al sterk gestegen, het gras is duurder geworden’, zegt Perry. ‘Alles krijgt een eigen dynamiek, daar kunnen wij weinig aan doen. Onze eigen plannen kunnen we niet meer uitvoeren, want voor ons gemeentebudget worden ze door dat prijsopdrijvend effect te duur.’
Natuurlijk, Perry begrijpt best dat Arnhem en Nijmegen alles op alles moeten zetten om werkgelegenheid aan te trekken, maar hij heeft rekening te houden met zijn eigen burgers. ‘De mensen in onze gemeente hebben daarbij de houding: “Sorry, Arnhem en Nijmegen, houd je eigen broek maar op.”’

Verkeersinformatie
De gemeente Valburg heeft zelf nauwelijks werklozen. In het KAN-gebied is ruim negen procent van de beroepsbevolking werkloos, in de twee steden rond de tweeëntwintig procent. Hoe kan dat nu zo hoog zijn? ‘Men trok er niet erg aan, denk ik’, zegt Jansen. ‘In Noord-Limburg en Groningen was de export groter dan in dit gebied. Blijkbaar is men hier een periode zeer introvert geweest. Misschien is het zó mooi en rustgevend hier dat het gevoel te moeten knokken ontbreekt en dacht men dat het vanzelf wel goed zou komen.’
Fysieke infrastructuur èn kennisinfrastructuur daar draait het nu om. Het KAN is een geschikte regio voor logistiek, transport, toerisme, exportmanagement en nieuwe technologieën. Het is een springplank naar Duitsland en Oost-Europa. Het MTC bij Valburg kan uiteindelijk zo’n tienduizend arbeidsplaatsen opleveren, dat is vooral laaggeschoolde arbeid waaraan zoveel gebrek is.
Maar ook voor hoogopgeleiden liggen allerlei plannen klaar en is er Europese subsidie beschikbaar. Het universiteitsterrein Heyendaal moet hèt kenniscentrum van de regio worden. Momenteel werken er bijna negenduizend mensen: op de universiteit en in het academisch ziekenhuis. En dat worden er aanzienlijk meer als binnenkort ook grote delen van de Gelderse Hogescholen naar Heyendaal verhuizen. Nu al is Heyendaal de grootste werkgever in het knooppunt, op de voet gevolgd door Akzo Nobel en de sterk groeiende Philips Semiconductors.
Ook voor kennisintensieve bedrijven is er plaats op Heyendaal. Jonge, kleinschalige bedrijven kunnen een start maken in het Universitair Bedrijven Centrum (UBC) en voor grotere bedrijven komt er het Mercator Technology & Science Park. Begin 1997 moet de eerste vestiging haar deuren openen. ‘Het doel is om kennistransfer te versterken met kenniscommercialisatie’, zegt Hein van der Pasch. Hij zit als een spin in het web als hoofd van het universitair Transferbureau en het UBC en als secretaris van de Stichting Gelder-Kennis, waarin universiteit, hogescholen, bedrijfsleven en overheid samenwerken. Er zijn vijf speerpunten: medische technologie, informatietechnologie, milieutechnologie, chemie en materiaaltechnologie. Van der Pasch zegt: ‘Het KAN is samen met Twente en Groningen trendsetter. Het is een van de regio’s met het hechtste netwerk rond kenniscentra. Dat is niet toevallig: in de jaren tachtig waren ze alle drie economische stimuleringsregio’s van EZ en daarna kregen ze ook nog Europese stimuleringsgelden, het KAN overigens pas sinds één jaar. Die gelden worden ingezet om de relatie tussen kennis, technologie en economie te versterken. Zo moeten de universiteiten en hogescholen daarmee hun marktgerichte activiteiten verder ontwikkelen.’ En of het KAN nu een bestuurlijke eenheid wordt of niet, voor Van der Pasch staat één ding vast: ‘Arnhem en Nijmegen blijven de economische motor van het gebied en zijn van belang zowel voor de provinciale, als voor de nationale en Europese markt, waarbij hoogwaardige kennistranfer onmisbaar is.’

De recente perikelen rond de regiovorming maken de verkoop van het KAN niet makkelijker. Er zijn volgens KAN-voorzitter Jansen al bedrijven die hun vestigingsplannen op de lange baan willen schuiven ‘omdat we in de krant hebben gelezen dat het KAN er niet komt’. En de Arnhemse EZ-ambtenaar Van Nie beaamt: ‘Voor de acquisitie is het slecht als je niet met een duidelijk gemeenschappelijk verhaal komt.’ Toch moet volgens hem het belang van nieuwe bedrijven niet worden overschat: ‘Negentig procent van de nieuwe werkgelegenheid komt van de groei van bestaande bedrijven in de regio.’
‘Je moet dit gebied altijd bekijken in het kader van Rotterdam’, zegt Jansen. ‘Daarom kijk ik naar de Engelse en de Duitse markt en niet zozeer naar de VS, Japan of Taiwan. En ik kijk naar bedrijfsverplaatsingen binnen Nederland. Onlangs las ik in de krant dat een bedrijf de grootste problemen had in de gemeente waar het was gevestigd. Ik heb gebeld, het ging toch mooi om tweehonderd arbeidsplaatsen. Nu is het bedrijf zich in deze regio aan het oriënteren. Overigens is de beste advertentie voor het KAN de verkeersinformatie tussen half zeven en half tien.’
 ‘Het is nog steeds een verademing om niet meer elke dag in de file te staan’, zegt Hans Benninga, directeur marktontwikkeling van ingenieursbureau Heidemij. Vanwege zijn promotie verhuisde hij twaalf jaar geleden van de Randstad naar een huis op de laatste stuwwal aan de Rijn, tussen Wageningen en Ede: ‘Een prachtige omgeving, voor je ligt de rivier, achter je de bossen van de Veluwe. In het begin krijg je dan grapjes van vrienden die vragen of ze hun paspoort mee moeten nemen als ze op bezoek komen en of ze nog met Nederlands geld kunnen betalen. Terwijl Arnhem in het midden van het land ligt, een half uur rijden van de Randstad.’ De kwaliteit van de woonomgeving en de goede bereikbaarheid zijn in zijn ogen de sterke punten van het KAN. Maar de reden dat Heidemij in Arnhem zit, is heel wat prozaïscher: het bedrijf is er meer dan honderd jaar geleden nu eenmaal opgericht. Benninga gelooft ook niet zo in omvangrijke bedrijfsverplaatsingen, ‘a hell of a job’ noemt hij ze vanwege de geringe bereidheid om te verhuizen, mede vanwege de baan van de partner. Zelf heeft de Heidemij haar werkterrein vooral in de Randstad, maar geleidelijk krijgt ze ook steeds meer projecten in het midden en zuiden van het land. ‘De Nederlandse bedrijvigheid verschuift. De eerste files steken al de kop op, dat is een zorgelijke ontwikkeling.’
Economisch ambtenaar in Arnhem, Martijn van Nie, die zelf in Nijmegen woont en elke dag over de twee rivieren naar zijn werk carpoolt, ondervindt de toegenomen verkeersdruk aan den lijve: ‘Door de ontwikkeling van stedelijke knooppunten wordt de mobiliteit landelijk teruggedrongen, maar in en rond de knooppunten zullen de wegen veel drukker worden.’ Op zijn kaarten heeft Van Nie de Pleyroute al [verbreed tot snelweg] verbeterd om de verbinding tussen Valburg en de oostkant van Arnhem te verbeteren.

Chipknip
Boven in de toren van de 93 meter hoge Eusebiuskerk wijst Van Nie aan waar die wegen moeten komen. Met steun van het plaatselijke bedrijfsleven is er in de Eusebiustoren een snelle lift gebouwd. De bezoekersaantallen van dit prestigeproject vallen tegen, maar de lift moest er eenvoudig komen om Arnhem mee te laten tellen. Zijn hoogtevrees overwinnend vertelt Van Nie enthousiast over het voormalige Billiton industrieterrein in het oosten dat wordt gesaneerd en gerenoveerd, de grazige uiterwaarden in het zuiden waar een luxe woonwijk moet verrijzen, de meanderende Rijn in westelijke richting waar een natuurpark met [Preswalskipaardjes] Poolse Konikpaardjes komt, het jaren-vijftig-stationsplein in het noorden dat in 1997 op de schop gaat om plaats te bieden aan de Hoge Snelheids Lijn naar Duitsland en hoogwaardige kantoren, het Sonsbeekpark dat het groen van de Veluwe tot diep in de stad brengt, de vernieuwde Bijenkorf bijna aan de voet van de toren als middelpunt van het winkelparadijs. ‘Arnhem is een onderschatte stad. We komen meteen na de Randstad: we zijn de vijfde kantorenstad van Nederland, de vijfde winkelstad en de vijfde theaterstad.’ En de stad waar als eerste de chipknip wordt uitgeprobeerd, omdat het de gemiddeldste stad van Nederland is.
Wat vindt hij van de verhalen over Arnhemse inertie en arrogantie? Van Nie reageert geprikkeld: ‘Dat klopte misschien [onder het vorige college van B&W] vroeger, maar sinds begin jaren negentig trekken wij er hard aan. De afgelopen vijf jaar hebben we benut voor produktontwikkeling, de acquisitie moet nu starten. Diverse projecten zijn in een stroomversnelling geraakt, ook omdat Arnhem zelf financieel grote inspanningen verricht. Want als stad moet je eerst zelf in het potje plassen, voor je bij hogere overheden kunt aankloppen.’
FNV-voorzitter Henk Slegten is over de promotie-inspanningen van de gemeente Arnhem niet erg te spreken. ‘Ze zijn te voorzichtig, het is dom om de regio niet in de schijnwerpers te zetten. Wat dat betreft is Nijmegen voorlijker. En als Arnhem de trom roert, gaat het vaak fout. Ook worden er ambtelijke en bestuurlijke fouten gemaakt’, zegt Slegten, doelend op de acht jaar slepende ontwikkeling van een multifunctioneel stadion voor voetbalclub Vitesse. Pas toen de provincie de ontwikkeling ter hand nam, kwam er schot in de zaak.
De vakbond speelt slechts een marginale rol bij de sociaal-economische ontwikkelingen in de provincie en het KAN. Spijtig constateert Slegten: ‘Ik kan er maar anderhalve dag per week in steken. Een beetje bijsturen is het enige dat we kunnen, voor betekenisvolle invloed zijn we onvoldoende geëquipeerd. We beperken ons tot gelegenheidscoalities, bijvoorbeeld met de Kamers van Koophandel.’
FNV-voorzitter Slegten is een echte ‘provincieman’ en in een eenzijdige gerichtheid op het knooppunt ziet hij dan ook niets. ‘We moeten de kansen in meerdere regio’s benutten, zoals Ede, Barneveld, Apeldoorn, Doetinchem. De hele as Randstad-KAN-Roergebied moet ontwikkeld worden. Ik pleit niet eens zo zeer voor extra geld, maar de economische ontwikkelingen langs de corridor mogen zeker niet worden gefrustreerd door stringente bestemmings- en streekplannen.’

Promotietour
Het KAN heeft de laatste jaren veel bereikt, andere knooppunten kunnen een puntje zuigen aan de ontwikkelde economische en ruimtelijke visie. Maar de volgende stap – omvorming tot stadsprovincie – maakt de gemeenten huiverig. Na het aanvankelijke enthousiasme beginnen zij zich te realiseren dat ze een groot deel van hun bevoegdheden zullen verliezen, zelfs de politie zal onder verantwoordelijkheid van de stadsprovincie komen. Arnhem en Nijmegen schrikken terug nu ze de buit van de Rijnsprong respectievelijk de Waalsprong binnen hebben en nu de machtige stadsprovincie dichterbij komt. Nijmegen houdt zich stiller dan Arnhem omdat het zijn buurgemeenten niet voor het hoofd wil stoten zolang alle grondaankopen nog niet rond zijn.
Volgens de Valburgse hoofdambtenaar ruimtelijke zaken Perry zijn de kleine gemeenten in het algemeen vóór een stadsprovincie, omdat die wat meer garanties geeft voor hun eigen voortbestaan dan gemeentelijke herindeling. ‘Maar anderzijds blijft bij een herindeling het primaat bij de gemeenten liggen, dan heb je als gemeente veel meer in de melk te brokkelen als het gaat om ruimtelijke en economische ontwikkelingen.’ De kleinere gemeenten uit de regio lopen dan ook al nerveus met balboekjes rond om de bereidheid van hun favoriete partners te polsen voor de gemeentelijke huwelijksmarkt. Valburg lonkt daarbij naar Dodewaard en Heteren.
Gedeputeerde Ton Doesburg, die overigens zeven jaar geleden aan de wieg heeft gestaan van het KAN en de kar trok tot Jansen werd aangesteld, is rigoureus over de bestuurlijke toekomst van het KAN: ‘Een stadsprovincie is absolute flauwekul, zo’n mini-provincie die zit veel te dicht op de steden en gaat zich gedetailleerd met de uitvoering bemoeien.’ Deze Gelderse bestuurder wil juist provincies samenvoegen: ‘Gelderland, Overijssel en een stuk Flevoland samen, dat is een betere maatvoering. In Nederland is maar plaats voor vijf provincies.’ Na een flinke gemeentelijke herindeling – de helft van de 25 KAN-gemeenten moet volgens Doesburg verdwijnen – kunnen de steden op projectmatige basis samenwerken.‘Tot nu toe heeft die structuur prima gewerkt.’
Op uitvoerend niveau verloopt de samenwerking in het KAN inderdaad nog goed, mede door de actieve opstelling van de provincie en de persoonlijke betrokkenheid van de deelnemers. Maar al met al blijft het een gelegenheidscoalitie, die geen structurele middelen heeft om pijnlijke keuzes af te dwingen.
Of het KAN uiteindelijk een stadsprovincie moet worden, daarover is ook KAN-voorzitter Jansen nog niet honderd procent zeker. ‘Voorlopig heb ik de neiging om die vraag met ja te beantwoorden. Kijk naar het inwonertal: in het KAN wonen meer mensen dan in Zeeland of in Groningen. Maar als ik de schaal van maatschappelijke en economische processen bekijk, dan is het wat aan de kleine kant.’ In zijn ogen is er nog van alles mogelijk. Zo is het misschien een idee om Wageningen, dat nu net buiten het KAN ligt, erbij te voegen. Met zijn Landbouwuniversiteit zou het een mooie versterking vormen voor het kennisspeerpunt. Maar dat roept toch meteen de reactie op dat het KAN alleen de krenten uit de provinciale pap wil en een leeggestroopte provincie achterlaat? Jansen formuleert het anders: een provinciale indeling is te veel gebonden aan ‘verdelende rechtvaardigheid’. Hetgeen wil zeggen dat elke gemeente recht heeft op hetzelfde. En dat is geen aanlokkelijk perspectief: elke gemeente zijn eigen bedrijfsterrein en kantorenparkje. Een meer gedifferentieerde ontwikkeling lijkt meer toekomst te hebben. Maar of de stadsprovincie in het knooppunt Arnhem-Nijmegen daarvoor het aangewezen bestuurlijk model is?
Voorlopig is het KAN in het nadeel: het is een bestuurlijk Fremdkörper, een structuur zonder wortels. Als het erop aan komt zijn de gevestigde provinciale en gemeentelijke belangen moeilijk te verslaan. Om zijn draagvlak te versterken gaat het KAN nu de boer op. Bij de wedstrijd NEC-Ajax in het Goffertstadion in Nijmegen riepen reclameborden de supporters toe: ‘Het KAN moet!’ En [begin januari] in februari gaat [is] de ‘KANtour 1996’ van start [gegaan], een rondreis van KAN-bestuurders door de regio. Ze hebben nog heel wat uit te leggen.
 

Gerelateerde artikelen